De specialist

De specialisten zijn er altijd geweest, maar de eerste eeuwen van het vak was de hovenier toch vooral een ”alleskunner”. Dat wordt eens te meer duidelijk als je kijkt naar de veelzijdigheid van het vak (zie ook de vele werkwoorden). Andere specialisten als fonteinmaker, landmeter en beeldenmaker waren indertijd specialisten die men inhuurde.

Na 1850 zie je dat de hovenier zich meer en meer gaat specialiseren in datgene wat hij leuk vindt, waar hij goed in is of waar vraag naar is.

Een aantal geschiedenissen bekijken we hier.

De bloemist en bloembinder

Verhaal in voorbereiding 

Boomkweker

Verhaal in voorbereiding 

BOOMSPECIALISTEN: 

JORN COPIJN HAKT ROT HOUT WEG
DR ALEX SHIGO

Tot de jaren zestig maakte boomverzorging deel uit van het hovenierswerk. Van jonge bomen werd de kroon goed begeleid en waar nodig de onderste takken verwijderd (opkronen). Volgroeide bomen voor de houtproductie (buiten de bossen) of als bomen kwalitatief achteruit gingen, werden door de hovenier gekapt.

Op weg naar de jaren zeventig was er een groeiende belangstelling voor de natuur. Milieugroeperingen ontstonden. De visie: een boom kan veel ouder worden dan iedereen denkt, krijgt begrip bij velen. Dit en het besef dat we zuinig moeten zijn op monumentale bomen, leidde in 1970 tot de oprichting van de Bomenstichting in Utrecht.

In 1966 start Jørn Copijn met de boomverzorging als specialisme door de “1000-jarige linde” in Achterberg te behandelen. Hij was hiermee de eerste boomverzorger in Nederland en noemde zichzelf boomchirurg. Dit vak had hij in Duitsland geleerd en hij richtte zich bij voorkeur op het verzorgen van oude en monumentale bomen. Belangrijkste taken voor deze boomverzorger van het eerste uur waren: snoeien van de kroon, schoonmaken van holtes door het verwijderen van rottend hout; voorkomen van houtrot in gezond hout door dit te impregneren; borgen van de stabiliteit van holle bomen door trekstangen aan te brengen in de stam en voorkomen van uitscheuren van gesteltakken door deze in de boomkroon onderling met staaldraden te verbinden . Lees hoe hij hier zelf op terug kijkt op: website Copijn

Ook waren er diverse middelen voor de verzorging van snoeiwonden: LacBalsem, Kankersept, Topsin M en een soort latexpleister. Copijn kreeg in die tijd vele navolgers om het “gat in de markt” te vullen. Naar het oordeel van nu deden zij hun werk vaak te pas maar meer nog te onpas.

Nieuwe inzichten

In 1983 schreven Pius Floris en Ton Stolk samen een reeks artikelen in het vakblad Tuin&Landschap. Die handelden over de nieuwe boomverzorgingsinzichten van de Amerikaan dr. Alex Shigo, bij wie Pius Floris enkele jaren heeft gestudeerd. Shigo, auteur van het boek A New Tree Biology, liet zien hoe bomen functioneren en op verwondingen reageren. Hij onderbouwde dit met resultaten van jarenlang eigen onderzoek. Op basis hiervan zette Shigo achter vele werkzaamheden van de toenmalige boomverzorgers een vraagteken. Hij toonde bijvoorbeeld aan dat bomen goeddeels zelf in staat zijn om met afgrendelingsmechanismen barrières te vormen tegen houtrotveroorzakende schimmels. Zijn kritiek was dat door het werk van boomchirurgen deze boomeigen mechanismen doorbroken werden. Door de veranderde inzichten wilden veel jonge boomverzorgers (veelal kleine, zelfstandige ondernemers) niet meer worden geassocieerd met de praktijk van de boomchirurgie.

Pius Floris begon zijn loopbaan als boomverzorger bij de Gebroeders Copijn in Utrecht. Eind jaren zeventig vertrok hij naar Amerika en kon stage lopen bij Shigo in New Hampshire, USA. Als zelfstandig boomverzorger begon hij in 1981. In 1994 zette hij een franchiseformule op met in 2010 in totaal twaalf vestigingen. Lees zijn eigen geschiedenis op: website Pius Floris

Ook de groeiplaats van de boom kreeg in die periode meer aandacht. De boom, zo bleek, heeft veel meer bewortelbare ruimte nodig dan zij toen kreeg toebemeten. Veel straatbomen stonden in een veel te klein plantgat, meestal “bloempot” genoemd. Bomen hebben, mede door de sterke bodemverdichting rondom hun groeiplaats in de straat, geen kans zich tot volwassen exemplaren te ontwikkelen: kwijnen weg of waaien om. Ook groeide het inzicht dat monumentale bomen letterlijk meer lucht/zuurstof en ruimte ondergronds nodig hebben.

Op het gebied van kroonsnoei propageerde Pius Floris een meer natuurlijke snoeiwijze.In1996 veroorzaakte hij opnieuw een discussie in de vakwereld door te bepleiten dat jonge bomen worden aangeplant aan korte boompalen. Ook wees hij boombeheerders op het belang van een goed bodemleven. Mycorrhiza toevoegen bij het planten van bomen is een advies van Pius Floris.

 

CLAUS MATTHECK OP BOOMINFODAG
TOMOGRAAF

Bij het 10-jarig bestaan van de KPB (nov. 1992) is er een zeer nuttig boekje uitgegeven: BOOMVERZORGING EN GEZONDHEID,  geschreven door Jan Willem Deen. De ondertitel is: Boomverzorgers, een bedreigde soort.

Dit boekje, wat letterlijk gedateerd is, geeft een belangrijk schot voor de boeg over de gezondheidsrisico’s die deze beroepsgroep bedreigen. De eisen van de functie, de Arbowet en de werkhouding komen aan bod. Het is nog altijd nuttig de aanbevelingen te lezen en kijken hoe we er nu voor staan. Met dank aan de schrijver  J.W. Deen die toestemming gaf voor publicatie van het rapport op deze website. Lees het rapport:  

HISTORISCHE VERPLANTING MET DE MALLEJAN

Boomverplanting:

Bij het specialisme boomverzorger ontstond nog een specialisme namelijk dat van boomverplantingen. Ook al een eeuwenoude werksoort van het vak.

In 1972 is de Nationale Bomenbank opgericht vanuit het voormalige groenvoorzienersbedrijf Mosterd en de Winter in Sliedrecht. In eerste instantie bracht dit nieuwe bedrijf vraag en aanbod van grote bomen bij elkaar. Hieraan gekoppeld is de uitvoering van het verplanten van grote bomen als hoofdtaak van dit bedrijf. Het verplanten, verplaatsen en leveren van grote bomen vraagt bijzondere expertise en die is in bijna 40 jaar opgebouwd door het bedrijf onder leiding van de familie de Winter. Een folder uit de jaren zeventig geeft al aan dat het bedrijf veel ervaring en kennis heeft opgebouwd. Lees de folder: 

Met het 25-jarige bestaan in 1997 is het boekje  NATONALE BOMENBANK BV verschenen met veel informatie over de geschiedenis van het boomverzorgingsvak (ISBN 90-75999-02X).

De huidige website laat zien hoe heden ten dage verplanten van bomen gaat en wat mogelijk is op het gebied van onderzoek en de inrichting van de groeiplaats.

Veel achtergrondinformatie bieden de productbladen over onder meer bomenzand en granulaat en over het zogenoemde ploffen en grondzuigen.

Met dank aan Piet de Winter voor de informatie

 

Veiligheid

Na Shigo is ook prof. dr. Claus Mattheck uit Duitsland van belang geweest voor de ontwikkelingen van het boomverzorgingsvak.(Shigo en Mattheck zijnbeide door Pius Floris voor het eerst naar Nederland gehaald) Door Mattheck  zijn vanaf de jaren negentig vele nieuwe inzichten in mechanische kwaliteiten van bomen voor de praktijk inzichtelijk en inzetbaar gemaakt. Ook  introduceerde hij de hedendaagse visuele boomcontrole VTA (Visual Tree Assessment).

Momenteel is voor de boomverzorgingsbranche veiligheid een belangrijke stimulator voor innovatie. De claimcultuur uit Amerika is ook in Europa doorgedrongen.  In Nederland is het begrip zorgplicht in het Burgerlijk Wetboek opgenomen. Iedere boombeheerder moet zichzelf hierom de vraag stellen: Wat zijn de risico’s van “mijn” bomen? Dus eerst inventariseren en vervolgens een beheerplan opstellen. De VTA-methodiek van Mattheck is ondertussen de standaard voor controle op en rapportage van mechanische en biologische afwijkingen van bomen. Deze methodiek geeft de beheerder zicht op welke bomen risico’s opleveren en wellicht moeten worden verwijderd, dus nader moeten worden onderzocht. Als een beheerder van bomen zijn zorgplicht op juiste wijze toepast, voldoet hij aan zijn wettelijke verplichtingen.

Buiten deze visuele methode zijn voor vervolgonderzoek diverse instrumenten en methoden ontwikkeld om de veiligheid van de boom te bepalen. Enkele daarvan zijn: resistograaf, tomograaf( website Wikipedia) en trekproef. Zij maken met meetgegevens de boven- en ondergrondse kwaliteit zichtbaar voor de beheerder.

Ook allerlei boomziektes zorgen voor aanslagen op de gezondheid van bomen. De kennis hiervan is door onderzoek de afgelopen 20 jaar sterk toegenomen, hoewel op beheerdersvragen bij een aantal nieuwe ziektes (bloedingsziekte in paardenkastanje, Massaria in platanen en bastknobbels in diverse boomsoorten) anno 2010 nog geen afdoende antwoord beschikbaar is.

Organisaties:

De Kring Praktiserende Boomverzorgers (KPB website), door Pius Floris , Henk Slootjes en Jitze Kopinga opgericht in 1982, is een kennisvereniging voor iedereen die zich vakmatig bezighoudt met boomverzorging. Leden zijn zowel boomverzorgers als beleidsmakers van bedrijven en gemeenten. Het ledenaantal staat in 2010 op meer dan 700.

Hoofddoel van de KPB is het bevorderen en uitwisselen van praktische en theoretische kennis. Om dit te kunnen doen is de KPB sinds 1999 aangesloten bij de International Society of Arboriculture (ISA), de internationale vereniging van boomverzorgers.

De Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB website) is een belangenvereniging van in Nederland officieel geregistreerde taxateurs van bomen. Sinds de oprichting in 1994 bepalen haar leden op onafhankelijke wijze en met toenemende professionaliteit de monetaire waarde van individuele bomen en boomgroepen of de schade hieraan. Voor een uniforme waarde- of schadebepaling gebruiken alle boomtaxateurs de door de vereniging opgestelde “NVTB Richtlijnen” en het hieraan verbonden “Rekenmodel Boomwaarden”.

Erkende boomtaxateurs zijn beëdigd en worden  ingeschakeld door gemeente, provincies, private boombeheerders en verzekeringsmaatschappijen. Ook vragen boombeheerders, hoveniers, particulieren en expertisebureaus de boomtaxateurs steeds vaker om advies. Als onafhankelijke deskundigen, die op velerlei manieren hun vakkennis bijhouden en vergroten, zijn zij in staat die adviezen op professionele wijze te geven.

De European Arboricultural Council (EAC website) is een Europese organisatie op het gebied van boomverzorging. Hoofddoel is om via de boomverzorgers de gezondheid en zorg voor bomen te verbeteren in de ruimste zin van het woord. Zo heeft de EAC de kwalificatie en certificering voor de European Tree Worker en European Tree Technician in het leven geroepen, stimuleert zij onderzoek en geeft zij richtlijnen uit voor boomverzorgingswerkzaamheden.

De VHG Vakgroep Boomspecialisten is eind 1998 in eerste instantie op initiatief van acht boomverzorgende bedrijven opgericht als NVB (Nederlandse Vereniging van Boomverzorgende bedrijven). Op 1 april 2006 is deze NVB opgegaan in de VHG als volwaardige Vakgroep Boomverzorging. Zie de website.

Onderschriften bij oude foto’s uit het archief van Pius Floris(met dank)

Alle foto’s zijn genomen op de Hortus Botanicus in Leiden

Foto 1: Dit is de aanzet van een boomchirurgische behandeling in 1975 aan de Vleugelnoot in het midden van de tuin, voorbij de vijver.Eerst werd een "mangat" gezaagd om naar binnen te kunnen kruipen.

 Foto 2: Pius Floris tijdens de vorderende werkzaamheden aan deze boom. Aan het zaagsel aan de buitenzijde is te zien dat hij hier al enkele dagen bezig was om de rotting aan de binnenzijde weg te frezen met een elektrische kettingzaag. Dat was al heel wat in die tijd. Het was evenwel een zaag zonder enige beveiliging. De houding van werken en de beperkte ruimte maakte soms dat hij er op minder dan 15 cm van zijn hoofd aan het frezen was (met de punt van het blad aangetast houtweefsel wegpoetsen).

Foto 3: Er was iemand van de staf van de Hortus jarig en dat werd gevierd met een fotosessie op de ladderwagen. Pius Floris staat bovenaan, als derde staat zijn collega Dirk Randeraad. De overige zijn medewerkers van de hortus en de “jarige”.

 

DORPSLINDE OUD GASTEL 1972
FOTO 1
FOTO 2
FOTO 3
FOTO 4

Foto 4: Dit is een holte die helemaal is "uitgefreesd" bij de Tulpenboom direct links van de hoofdingang van de Hortus. Deze boom is geënt. Met de kennis van toen werd alle rotte hout voor zover mogelijk verwijderd. Daarna werd alles geïmpregneerd. Pius Floris en een collega zitten samen in de holle boom. Er was zo veel ruimte dat er wel vier mensen in konden zitten. De Tulpenboom staat er nog altijd. De behandeling was in 1975. Dat zegt meer over de genetische kwaliteit van de boom en zijn vitaliteit dan over de boomverzorgingsactiviteiten van toen. Een boom moet wel heel sterk zijn als deze 35 jaar na deze "boomchirurgische ingreep" nog leeft.

 

COPIJN 

Wie  geschiedenis en boomverzorging zegt,denk zeker aan COPIJN. In 2014 is een prachtig boek  verschenen waar in 250 jaar bedrijfsgeschiedenis geweldig is weer gegeven (zie rechts  de cover).
Lees meer...over de inhoud van dit boek van de schrijfster Mariette Kamphuis. Het boek is uitgegeven door de Hef publishers.
 
Veel informatie vind u natuurlijk ook op de website van Copijn Boomverzorging  Klik hier

 

 

 

50 jaar Boomverzorging

Twee jaar na het familie verhaal (zie boven) hebben J’ørn  en Lia Copijn  hun leven met bomen te boek gesteld en dat is een compleet Geschiedenisboek geworden over wat nu o.a. een vakgroep is waar ruim 1000 mensen hun brood verdienen.

In het verhaal wat in deze website staat wordt poging gedaan om het ontstaan vakgroep boomverzorging te duiden, maar wilt u weten hoe de boomverzorging in Nederland tot stand gekomen is dan is dit boek  Het Groene Goud met medeauteur Marina Lameris een “must” . Op 28 oktober 2016  is het boek gepresenteerd op de plek waar het allemaal begonnen is De 100 jarige Linde in Achterberg lees meer....

Het boek is gewoon bij de boekhandel te koop met isbn 978-96-91229-29-9

Maar natuurlijk ook te bestellen bij Copijn lees meer.....

Het verhaal van J’ørn Copijn verteld in het programma Vroege Vogels is ook een klein eerbetoon aan de voorganger Weer of geen Weer van Bert Garthoff die er 50 jaar geleden  hier ook aandacht voor had hier luisteren...

 

Het boek is aangeboden aan de voorzitter van de Bomenstichting Leen van de Sar en Martijn van der Spoel voorzitter van de Kring Praktiserende Boomverzorgers (KPB)

DAK EN GEVELBEGROENERS: 

De laatste 10 jaar zijn er hoveniers die bijna niet anders doen dan daktuinen aanleggen.Maar dan doen zij als vakman bij bedrijven die ook het “traditionele hovenierswerk” in hun pakket verzorgen. Naar mijn weten is er buiten de leveranciers van de daktuin-materialen (die ook aanleg werk uitvoeren) nog maar 1 bedrijf  wat alleen maar daktuinen verzorgt te weten Dakdokters.  Omdat werken op niveau aparte vaardigheden en veiligheidseisen stelt is het begrijpelijke dat dit specialisme samen mede door de vraag naar daktuinen sterk is gegroeid.Wat geen historie is, dat de eerste green roof professionels of te wel de DAKHOVENIER hebben  op 18 december 2012 hun diploma ontvangen lees meer

 De vakgroep Dak en gevelbegroeners van de VHG bestaat sinds  2006 Een circa 30 tal bedrijven zijn lid van deze vakgroep  die vooral kennis en vaardigheden met elkaar uitwisselen . De vakgroep wil vooral een onafhankelijke autoriteit ,vraagbaak en aanspreekpunt zijn. Meer info:

Het onderstaand verhaal van de historie van de daktuin is geschreven door Geerte de Jong zij heeft de opleiding Architectuur en Stedenbouw gedaan en is nu historicus en freelance schrijver. Geerte specialiseert zich in tuingeschiedenis en de negentiende eeuw. 

 

Impressie hangende tuinen van Babylon
Impressie Hangende tuinen van Babylon
Sod House
Impressie grasdaken IJsland

Daktuinen

Daktuinen lijken wel onmisbaar voor mensen: op allerlei momenten in de geschiedenis, op de meest verschillende plaatsen, zien we daktuinen opduiken. Er is altijd een plaats te vinden om wat planten neer te zetten of kruiden te kweken. Zelfs als het op dak moet.

Klassieke tijd

De bekendste historische daktuin was feitelijk gezien geen daktuin en heeft mogelijk nooit bestaan: de legendarische hangende tuinen van Babylon. De eerste Babylonische tuinen werden aangelegd vanaf 1200 v. Chr. en nog jaren na het Babylonische rijk waren deze tuinen vermaard om hun schoonheid.

In deze warme landen was het gebruikelijk de daken van huizen te bedekken met modder, om de woonruimte koel en aangenaam te houden. Langzamerhand begon men aan deze bedekking ook planten toe te voegen, om het nuttige met het aangename te combineren. De kennis die toen al bestond over het bewateren van snel uitdrogende aarde kwam hier goed van pas en werd verder verfijnd. Ook kwesties als het draagvermogen van het dak werden hier ongetwijfeld onderzocht. Dankzij deze kennis was het maar een kleine stap naar het aanleggen van hangende tuinen. Volgens de bronnen bevonden de Hangende Tuinen van Babylon zich ofwel op taluds, de trapvormige terrassen van piramide-achtige gebouwen, of op een speciaal aangelegd terras op pilaren. Dit terras konden bezoekers bereiken via een brede trap. Er was een watervoorziening, waarbij water uit een naburige rivier omhoog werd gepompt om de tuinen te begieten. Dankzij deze tuinen “op hoog niveau” konden de Babyloniërs ontspannen in de schaduw van de bomen.

Hoewel er geen schriftelijke bronnen over bestaan wordt er wel aangenomen dat ook in het Romeinse Rijk daktuinen of tuinen op terrassen gebruikelijk waren. Zo zijn er bij de Villa dei Misteri, een in 79 v. Chr. door lava bedolven gebouw nabij Pompeii, terrassen aangetroffen die bedoeld lijken voor beplanting.

Scandinavische plaggendaken

Op een heel andere plek en eeuwen later verschijnen de volgende vroege daktuinen. Dit zijn de beplante daken van huizen in Noorwegen, Zweden en IIsland. Sinds de 17e eeuw werden lage huizen bedekt met een dak van grasplaggen of modder, bedoeld om de warmte vast te houden. Tijdens de negentiende eeuw emigreerden veel Noren naar Amerika, waar ze dankzij de Homesteading Act van 1862 een stuk land konden claimen. Omdat in het nauwelijks bewoonde westen van Amerika weinig bouwmateriaal beschikbaar was werden veel huizen gebouwd van modder en gras. Deze zogenoemde “dugouts” bestonden vaak uit een holte in de zijkant van een heuvel met een voorzijde gemaakt van plaggen, of een depressie in het landschap waar een dak van takken en plaggen over werd gelegd. De daken van deze huizen waren niet bewust als tuinen aangelegd, maar de begroeiing was wel bedoeld om de temperatuur in de huizen aangenaam te houden. Vaak werden er ook bloemenzaden op het dak gestrooid, om het geheel een wat vrolijkere uitstraling te geven. Deze huizen werden tot in de tweede helft van de negentiende eeuw gebouwd. De dugouts zijn enigszins vergelijkbaar met de plaggenhutten die in Nederland in het veengebied ontstonden.

Daktuinen voor ontspanning en vermaak

De eerste echte daktuinen in de huidige zin van het woord ontstonden in de negentiende eeuw in het oosten van de Verenigde Staten. In tegenstelling tot het wilde, deels nog onbewoonde westen waar mensen in dugouts woonden, werden de steden in het oosten merkbaar voller en drukker. Een deel van de bevolking was rijk geworden tijdens de negentiende eeuw en gecombineerd met de toename in vrije tijd ontstond een zoektocht naar nieuwe vormen van massa-amusement. Eén voorbeeld hiervan is het Sea Lion Park in Coney Island, het eerste amusementspark, ontstaan in 1895. 

Daktuinen waren een onderdeel van dit nieuwe vermaak. De eerste daktuin werd aangelegd op het gebouw van een theater. In de heetste dagen van de zomer kwamen weinig mensen naar het theater, waar het warm en benauwd was. Om ook in de zomer publiek aan te trekken werd op het dak van Aronson's Casino Theater een grote tuin aangelegd. Bezoekers konden hier ontspannen met een drankje, even aan de drukte van de stad ontsnappen en verkoelen dankzij de briesjes die niet de straten maar wel het hoge dak bereikten.

Deze daktuin bleek een gouden greep en al gauw werden er meerdere tuinen aangelegd, voornamelijk op daken van theaters, hotels en warenhuizen. De tuinen waren een speciale attractie of extra service en gaven het gebouw een streepje voor op de competitie. Al gauw waren deze luxe daktuinen ook overal in Europa te vinden. Een bijzondere tuin is de daktuin op het voormalig warenhuis Derry en Toms in Londen, aangelegd tussen 1936 en 1938, de grootste daktuin van Europa. Tegenwoordig heet deze plaats de Kensington Roof Garden en is nog steeds te bezoeken. En ook nu blijft deze daktuin een unieke publiekstrekker, met verscheidene thematuinen, enorme collectie's bomen en roze flamingo's.

 

Kensington roof gardens
kensington roof gardens
Daktuin NMB Amsterdam
Bovenstaande foto is van een spraakmakend daktuinproject uit 1987 het hoofdkantoor van de NMB (nu ING) te Amsterdam.
 De apenrots of sprookjesburcht wordt de creatie van de architect Ton Albers(1927-1999) genoemd.
 Er wordt vanaf de start nauw samengewerkt met Jorn Copijn die geen ervaring had met daktuinen maar vooral naar de natuur keek en zich liet inspireren door het hooggebergte.
 In het boek de tuingeschiedenis in Nederland (isbn 978.90.5345.396-4) een bijzonder bulletin van Cascade jaargang 2009 nr 2 staat over dit project  een informatief verhaal geschreven door Mariette Kamphuis. 

 

Themanummer Daktuinen van het Vakblad Tuin & Landschap 2002

Ook dat is intussen zeer jonge historie want de ontwikkelingen in de daktuinmaterialen staan niet stil.

In dit themanummer wordt o.a. een daktuinrenovatie van de zeventiger jaren besproken. Ruim 30 pagina's met veel informatie Klik hier

Het verschil tussen een daktuin en een groen dak is de begaanbaarheid

In de veelheid van aanbieders van daktuinen heeft de redactie onderstaande website’s uitgekozen i.v.m. You tube filmpjes en veel mooie plaatjes van mooie projecten en voorlichting over materialen en mogelijkheden

KONINKLIJKE GINKELGROEP  en de DAKDOKTERS

 

De huidige daktuin

Op dit moment staat de daktuin weer volop in de belangstelling. De twee types daktuinen die we in het verleden zagen, de functionele laag beplanting en de tuin aangelegd voor schoonheid, zijn nog steeds de twee belangrijkste types tuindaken.

 De dugouts en plaggenhutten zijn verworden tot sedumdaken: een dunne laag weinig-eisende beplanting. Deze tuinen zijn niet gemaakt om in te wandelen of te genieten van de schoonheid, ze zijn vrijwel puur functioneel. Het is gebleken dat groene daken de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer verminderen, fijnstof afvangen, de temperatuur van het gebouw reguleren maar ook de omgeving verkoelen en grote hoeveelheden regenwater op kunnen vangen. Deze sedumtuinen zorgen voor een gezondere atmosfeer, wat zeker in de nog steeds groeiende steden van groot belang is. Ook verminderen deze daken het elektriciteitsgebruik van een gebouw, vanuit duurzaamheidsoogpunt een goede oplossing. Sedumdaken worden vaak aangelegd als een compensatietechniek: een nieuwe parkeergarage of een vliegveld krijgt een groen dak, om een deel van de milieuvervuiling teniet te doen. In Europa zijn er meerdere vliegvelden met groene daken, waaronder Schiphol. Naast de CO2 compensatie vermindert beplanting de geluidsoverlast en vogels worden ontmoedigd in de buurt van de luchthaven te komen.

Een ander belangrijk voordeel van de daktuin is dat deze geen extra ruimte inneemt en zeker in volle steden in Amerika, waar prioriteit wordt gegeven aan nieuwe bedrijfsgebouwen boven tuinen, bleek de daktuin een gouden greep. Op daken in New York en andere grote steden leggen bewoners tuinen aan, werken ze samen aan het beplanten en begieten, moestuinen worden aangelegd in bakken en potten, schoolklassen leren hoe planten groeien en wat de functie van insecten is. Nog steeds is de daktuin een rustplek, een ontsnapping uit het drukke dagelijks leven. En daarmee is de hedendaagse daktuin maar weinig anders dan de Babylonische hangende tuin: een kleine oase, een eigen wereld hoog boven de drukke stad verheven, een verborgen plaats waar de mens kan ontspannen en weer op adem kan komen.  

Bronnen:

http://amhistory.si.edu/ourstory/activities/sodhouse/more.html

Cantor, S.L., Green roofs in sustainable landscape design. New York, 2008

Linebaugh, D.W., “Excavating the dugout house of Norwegian Immigrant Anna Byberg Christopherson Goulson, Swift County, Minnesota”. Historical Archaeology, Vol. 39, No. 2, 2005.

Raalte, D. van, Dak- en balkontuinen. Zutphen, 1974

Wiseman, D.J., “Mesapotamian Gardens”. Anatolian Studies, Vol 33, 1983.

New York Times, December 16, 1912 

Bij de start van de aanleg van daktuinen in de jaren zeventig van de vorige eeuw was er nog geen hoge kwaliteit wortelwerende folie. Ook werd op vele plaatsen het wiel uitgevonden en ging er wel eens wat mis. Dat is nu anders, gerenommeerde dakbegroeners doen met elkaar onderzoek en geven voorlichting aan architecten aannemers en consumenten Ook de kwaliteit van de materialen is sterk verbeterlees meer

INTERIEURBEPLANTERS:

Toen in 1920 de bloemist-hoveniers een aparte groep vormde binnen de Nederlandse Bloemisterij, was dat een tijdsbeeld en denkwijze wat ook nu nog gangbaar is. Men wilde de klant of consument het hele scala van groene diensten aanbieden: van een mooi boeket en planten in huis of bedrijf tot en met de aanleg en onderhoud van het groen rondom huis en kantoor.

Het belang van groen en de goede werking op het welzijn van mensen wordt door onderzoek steeds duidelijker. Voor meer informatie over mens en plant: klink hier onder.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de jaren 60/70 van de vorige eeuw de hydrocultuur en het groen op de kantoren een grote vlucht namen en de hoveniers daarbij betrokken raakten. De meeste hoveniers hadden echter al lang de band met de bloemisterij losgelaten, hoewel niet allemaal. Toch werd menig hovenier door zijn opdrachtgevers benaderd om ook het groen in het kantoor te verzorgen. Het was de hoveniers en groenvoorzieners al snel duidelijk dat zij hun werknemers van buiten niet naar binnen moesten halen. Dus werden er ‘binnenbakspecialisten’ opgeleid of aangetrokken. Ook ontstonden er vanuit plaatselijke bloemist-winkeliers gespecialiseerde bedrijven met alleen de binnenbeplanting als uitvoerende taak. Heel goed is het dat de branchevereniging voor hoveniers en groenvoorzieners (VHG) de interieurbeplanters in 2008 als vakgroep kon toevoegen om zo de ledenbehartiging voor deze bedrijven te optimaliseren.

Koos Zuidgeest voorzitter van Stichting Kwaliteit Interieurbeplanting beschrijft de jonge geschiedenis van de interieurbeplanters als volgt: klik hier onder 

Door  SKI bij de branchevereniging VHG onder te brengen zijn de lijnen voor de opdrachtgever korter geworden.

Deze stichting werkt nu met PLANT QUALITY

De stichting Kwaliteitsmerk Interieurbeplanting geeft het exclusieve kwaliteitsmerk Plant Quality uit. Bedrijven die kunnen aantonen dat zij een permanent gegarandeerde kwaliteit leveren, komen in aanmerking voor dit kwaliteitsmerk.

Voor meer info : Klik hier voor de website

 

Ontwerper

Verhaal in voorbereiding