De hovenier in de gemeente

In de geschiedenis van de tuinkunst komen de parken en plantsoenen laat aan de orde. In hun ruim honderd jarig bestaan zijn ze echter steeds meer in omvang toegenomen. Het ontwerp en het beheer zijn daarbij voortdurend veranderd, zowel door gewijzigde stijlopvattingen als door het gebruik dat zich richtte naar de geest van de tijd. Het wandelpark voor de gegoeden kreeg zijn opvolging in recreatie en natuurbeleving voor de gehele bevolking van stad en dorp.

En daarmee is de ambachtelijke hovenier in de gemeente uitgegroeid tot een vakbekwaam groenbeheerder.

AGNETAPARK DELFT 1912
VONDELPARK AMSTERDAM

Tot 1914: Het eerste stadsgroen.

In de Middeleeuwen was er nauwelijks behoefte aan parken of plantsoenen. In latere eeuwen werd alleen langs brede straten, langs grachten en aan de buitenkant van de stadswallen boombeplanting aangebracht. Vaak voor de houtopbrengst, zodat de linden en iepen na verloop van jaren weer door jongere werden vervangen. Om de aanplant te beschermen werd een ‘plantagemeester’ aangesteld.

Toen de steden in de eerste helft van de negentiende eeuw de vestingwallen ontmantelden, werden zij ingericht tot wandelpark. De ‘natuurlijke’ landschapsstijl leende zich voor fraaie wandelingen en het werd  een aantrekkelijke woonomgeving voor de gegoede burgerij. Bij de aanleg werden vaak werklozen ingezet. De boom- en heesterbeplanting bestond vooral uit exoten en hier en daar werden felgekleurde mozaïekbedden aangelegd.

In 1874 werd in Leiden voor de ca 5 ha beplantingen op de vroegere stadswallen een bestek gemaakt om het onderhoud uit te besteden.

Waar mogelijk werden in de tweede helft van de negentiende eeuw door de gemeenten buitenplaatsen aangekocht, soms werden ze ook aan de gemeente geschonken (Enschede – G.J. van Heekpark). Tegen het eind van deze eeuw werden op initiatief van welgestelde burgers parken gesticht, vooral om in de buurt villa’s te kunnen bouwen (Amsterdam – Vondelpark). Hoewel om dit groen te onderhouden het personeel bij de gemeenten beperkt bleef, werden in de grote steden al de eerste plantsoendiensten opgericht (Den Haag - 1907). De opzichters bij de gemeenten waren veelal afkomstig uit buitenplaatsen, waar ze een goede vakopleiding hadden gekregen. In 1909 werd door hen de Vereniging van Hoofden van Gemeentelijke Beplantingen opgericht. Al ruim honderd jaar wordt in deze vereniging kennis en ervaring uitgewisseld en naar de vakwereld uitgedragen.

 

1914-1945 : Naar groene gemeenten.

In de jaren ’20 deden zich verschillende ontwikkelingen voor. De oorsprong lag al elders voor de eeuwwisseling, maar pas na de eerste wereldoorlog was de invloed in ons land merkbaar. Uit Engeland kwam de tuinstadbeweging naar voren, waarbij in de volkswoningbouw veel aandacht aan het groen werd geschonken. (Rotterdam – Vreewijk). In Duitsland ontstond uit de behoefte aan meer ruimte en beweging voor een ieder, het idee van volksparken. Ze waren door een keur aan voorzieningen geschikt voor een multifunctioneel gebruik (Den Haag – Zuiderpark).Zo groeide het areaal aan groenvoorzieningen.

Mede door de invloed van architecten werden vele parken en plantsoenen rechtlijnig en met bouwkundige elementen uitgevoerd. Het rijke plantensortiment leek veel op dat in de particuliere tuinen. De opzichters en tuinlieden bij de gemeenten waren in de praktijk gevormd en het werk werd ambachtelijk uitgevoerd. De gazons werden keurig gemaaid, veelal met de hand of een motormaaier met één rondsel. De graskanten werden strak gestoken en na het wieden werden de vakken uitgeharkt.

Met de uitbreiding van het werk groeiden ook de afdelingen plantsoenen en soms werd met een breder takenpakket een zelfstandige dienst gevormd (Amstelveen, Apeldoorn, Den Haag). Het eigen personeel moest een uniformpet dragen, waarop het gemeentewapen of een kenmerkend nummer prijkte.

In de crisisjaren – begin 1920 en 1930 – werd veel aanleg uigevoerd in werkverschaffing, onder toezicht van een cultuurmaatschappij. Het plantmateriaal werd vaak betrokken uit overcomplete voorraden van de Sierteeltcentrale.

ZUIDERPARK DEN HAAG
VREEWIJK ROTTERDAM

1945 - 1970 : Onstuimige groei.

 Na 1945 was het de eerste taak van de plantsoenmensen om de oorlogsschade te herstellen. Door gevechtshandelingen of door burgers kappen van de bomen (brandhout), was een groot deel van de groenopstanden verdwenen. Meestal werd het vooroorlogse plan hersteld of opnieuw aangelegd. In de nieuwe wijken ging het groen echter een belangrijke rol in het stadsplan spelen, als een bij uitstek structurerende en sociale voorziening. De bewoners moesten een optimaal gebruik van het groen maken. De veelzijdige functies werden gezien als belangrijke voorwaarden voor de inrichting. De opkomende hoogbouw leende zich heel goed voor een alles omvattende groenvoorziening.

In de discussie over de vormgeving tussen de opvolgende generaties van ontwerpers ontstonden heftige meningsverschillen over het al of niet beperken van het sortiment. Bij de massale beplantingen werd door een nieuwe generatie gretig gebruik gemaakt van de nieuwe, uniforme selecties van bomen en heesters.

De plantsoenafdelingen kregen niet alleen veel werk door het sterk groeiende oppervlak van openbaar groen. Hun zorg strekte zich uit naar gemeenschappelijke voortuinen en binnentuinen, sport- en spelaccommodaties, bosgebieden en voorzieningen voor natuureducatie, instructieve plantsoenen en begraafplaatsen. Het oppervlak aan openbaar groen in ons land groeide spectaculair van 4,5 m2 per inwoner in 1950 naar bijna 30 m2 in 1970.

Het spreekt vanzelf dat het beheer zich aan ging passen bij de omvang en de vereenvoudigde inrichting van de parken en plantsoenen. Het maaien, het vervoer en verdere verzorging werden gemechaniseerd. Zelfs de ontwerpen werden gericht op economisch onderhoud. Voor de ziekte- en onkruidbestrijding werd zonder veel bezwaar chemische middelen gebruikt. Bij de plantsoendiensten waren ontwerp, aanleg en verzorging in één hand en er werd veelal nauw samengewerkt met de stedenbouwkundige diensten.

Vaak werd tot 20 – 30 % van het werk uitbesteed: om de piek van de zomerbezetting op te vangen, om bulkwerk als maaien, wateronderhoud of grondverzet af te stoten of juist om specialistisch werk als ziektebestrijding of boomonderhoud uit te laten voeren. Veel kleine gemeenten droegen het ontwerpwerk op aan particuliere tuinarchitecten. Het is overigens nu  nauwelijks voor te stellen dat al die plannen zonder noemenswaardige inspraak tot stand kwamen.

Na 1970 : Beleidsmatig groen 

In de tweede helft van de vorige eeuw werd zowel in de vakliteratuur als in de gemeenten zelf veel aandacht aan een goed groenbeleid geschonken. Mede door de automatisering werden gedetailleerde inventarisaties opgezet, beleid- en beheerplannen gemaakt en deze werden door het bestuur vastgesteld.

In de jaren zeventig kreeg men behoefte aan minder saaie en meer natuurlijke plannen voor het groen. Het ging niet alleen meer om recreatie, maar om kleinschaligheid en natuurbeleving. In latere jaren sloeg overigens de slinger weer terug en verschenen weer duidelijke vormen en lijnen in de ontwerpen.

Tegelijk met de vraag naar natuurlijke beplanting kwam de inspraak van de bewoners aan de orde. De burgerij kreeg grotere invloed op de planvorming en het beheer doordat men het van begin af aan voor het zeggen wilde hebben.

Al voor de Tweede Wereldoorlog waren liefhebbers en vakmensen zich bezig gaan houden met het toepassen van wilde planten. Door de aanleg van heemparken in Amstelveen (Jac. P. Thijssepark – 1940) werd een voorbeeld geschapen dat ook nu nog uniek is in binnen- en buitenland. Rond 1970 werden overal parken met inheemse planten ingericht, waarbij afhankelijk van het beoogde doel een min of meer intensief beheer werd gevoerd.

In de jaren tachtig moest er in de gemeenten drastisch bezuinigd worden. Veel intensief plantsoen verdween en er was sprake van een groeiende achterstand in het beheer. Bovendien werden vele plantsoenafdelingen ingekrompen, zelfs voor een deel opgeheven en het werk uitgegeven aan het bedrijfsleven of een werkvoorzieningschap.

De laatste decennia hebben bestuurlijke opvattingen en externe invloeden de zorg voor de openbare groene ruimte belangrijk beïnvloed. De politieke belangstelling is zeker niet minder geworden. Het voert echter te ver om in dit beknopte historische overzicht op deze recente ontwikkelingen in te gaan. Uiteenlopende begrippen als de discussie over kerntaken, privatisering, milieubeleid, kwaliteitsbeheer, duurzaamheid en bewonersparticipatie, hebben de traditionele zorg voor het gemeentelijke groen ingrijpend veranderd.

Ondanks de soms negatieve invloeden houden vele gemeenten een hoge mate van kwaliteit aan. Zo hebben  sinds 1999 in de jaarlijkse competitie Entente florale voor de groenste stad of het groenste dorp, al meer dan honderd gemeenten zich onderscheiden. In de jury werken vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de gemeenten eendrachtig samen. Een voorbeeld hoe de organisaties van de hoveniers en van de gemeentemensen in goed overleg de hedendaagse problemen in het vak aan kunnen pakken. 

 

Over de auteur van bovenstaande bijdrage : De heer B. J. Galjaard heeft zijn eindopleiding genoten op de Hogere Opleiding Tuinaanleg in Boskoop van 1945 tot 1947. In 1956 heeft hij de Erkenning Tuin- en Landschapsarchitect verkregen. In 1947 werd hij in Vlissingen ingezet bij het herstel van de oorlogsschade in het gemeentelijk groen. Vervolgens was hij van 1954 tot 1964 werkzaam in Utrecht als tuinarchitect bij de Dienst Openbare werken. Van 1964 tot 1967 werd hij aangesteld als adjunct-directeur en van 1967 tot 1987 als directeur van de Dienst van Plantsoenen en Begraafplaatsen in Amstelveen. Deze dienst werd in 1972 overigens uitgebreid tot de Dienst van Plantsoenen, Sport, Jeugd en Recreatie.

Daarnaast was hij actief bij verschillende vormen van het vakonderwijs en in de vakorganisaties. Regelmatig  verschenen van hem artikelen in de vakpers en hij schreef of bewerkte zo’n 30 boeken over tuinaanleg en gemeentelijke groenvoorziening.

 

JAC P. THIJSSEPARK AMSTELVEEN
G.J. van HEEKPARK ENSCHEDE

Historisch overzicht  openbaar groen binnenstad Amersfoort tot 1900

Als we over de binnenstad spreken bedoelen we daarmee het gedeelte van de stad dat vroeger binnen de stadsmuur en omwalling lag.Een juiste datum van de vroegste beplantingen langs de grachten en de straten en op pleinen is niet exact te geven.

De stad uit de middeleeuwen was over het algemeen klein van omvang, ommuurd, waarbinnen compact gebouwd was. Openbare ruimten waren veelal niet groot, uitgezonderd marktpleinen. De veelzijdige bedrijvigheid van handel en ambacht liet niet veel ruimte voor beplantingvrij. Dit veranderde naarmate de functies binnen de stad zich wijzigden. Binnen de omwalling kwamen wel groene ruimten voor, maar deze waren eigendom van burgers en instellingen en hadden veelal een agrarische functie. Bij belegering leverden deze tuinen o.a. groente en fruit. De stadserven werden door kooplui uit de omgeving ook gebruikt als tijdelijke wijkplaatsen. Op den duur werden deze stadserven en tuinen in gebruik genomen door stedelijke uitbreidingen. Het openbaar groen beperkte zich tot bomen op plaatsen waar de behoefte aan schaduw en ruimte voor bomen aanwezig was: op pleinen en langs grachten.

In het algemeen kan men stellen dat boombeplanting daar werd aangebracht, waar zij niet in de weg stond en uiteraard het leven aangenamer en kleurrijker maakte.

Aan de hand van stadsplattegronden en pentekeningen is een idee te vormen van het tijdstip waarop voor het eerst bomen werden geplant in de binnenstad.

Op de stadskaart van circa 1588 van Braun en Hogenberg komen nog geen bomen voor in de openbare ruimten. De stadsplattegrond van circa 1649 van Bleau geeft een boombeplanting aan op onder andere de gedempte sint Aegtensingel (gedempt 1630-1640). Op deze plaats werden drie rijen bomen geplant. Al spoedig kreeg deze plek de naam ’t Zand. Op de plattegrond komen ook reeds bomen voor op de huidige Weverssingel en een gedeelte van de Zuidsingel. Van latere datum 1888 is de kaart van I van Vooren en F Wagenmakers, waarop helemaal geen bomen in de stad langs de grachten zijn getekend, Op deze kaart komen wel de plantsoenen met wandelplaatsen voor op de voormalige omwalling.

Uit oude tekeningen blijkt echter dat er wel degelijk bomen langs de singels en grachten stonden. Na 1830 vonden ook veranderingen plaats in de groenaanleg rondom de steden, Voor die tijd waren de ruimten tussen de ommuring en de omsingeling beplant met percelen bomen. Veelal iepe-eikenbomen.

 

De tuinkunst werd toen alleen nog maar bedreven bij de aanleg van buitenplaatsen en kloostertuinen. Hierin kwam verandering toen steeds meer steden de stadswallen, die slecht werden, gingen afbreken en lieten aanleggen als wandelplaatsen.

In de periode na 1830 vond een verandering plaats in de tuin en landschapkunst. In de landschapsarchitectuur ontwikkelt zich de Engelse landschapsstijl, welke gekenmerkt wordt door een natuurlijke vormgeving met en grotere verscheidenheid in plantensoorten. Uit die tijd dateren ook de eerste plantsoenen met wandelplaatsen rondom de oude stad van Amersfoort.

In 1829 is een commissie in het leven geroepen die belast werd met :”het formeren van een plan tot amotie van dezer stadtswal  tusschen de Kleine Koppel en Utrechtsepoort”

In 1930 werd het plan van de architect H.V.van Lunteren uitgevoerd voor de aanleg van een wandelplaats op de gronden van de afgebroken muren tussen de Kleine Koppel en de Utrechtse poort en de aanleg van de Algemene Begraafplaats (voormalige begraafplaats Achter Davidshof). De aanplant bestond uit een zeer uitgebreid sortiment aan bomen en in mindere maten uit heesters en coniferen. In 1831 werd de afbraak van de muur en de aanleg tot wandelplaats voortgezet tot aan de Slijkpoort (ter hoogte van de huidige Arnhemsenstraat).

Een verdere afbraak van de stadsmuur staat voor de  deur. In 1836 wordt het door het college aan de uit die tijd zeer bekende architect J.D. Zocher een verzoek gedaan ook een plan in te dienen voor de amovering van een gedeelte van de stadswal, gelegen tussen de Slijkpoort en de Sint Andriespoort, die afgebroken zou worden en als wandelplaats moest worden aangelegd. Deze architect had reeds bekendheid verworven met de aanleg van tuinen bij buitenplaatsen en door de aanleg van wandelplaatsen op de voormalige omwallingen van de steden zoals Utrecht en Haarlem. Naast J.D. Zocher had ook H.V. van Lunteren een plan ingediend. Door de toenmalige gemeenteraad werd het plan van J.D. Zocher gekozen en dat van H.V. van Lunteren verworpen. Zocher heeft de aanleg later afgemaakt tot aan de Kamppoort. Uit 1842 dateert nog een affiche waarop de publieke verkoping van de percelen iepenbomen , die op de oude stadswallen stonden, werden aangekondigd.( zie afdruk rechts)

Tussen 1845 en 1856 ligt de afbraak van de stadsmuren stil, daar er een verbod werd uitgevaardigd voor de afbraak van oude muren. In 1863 brengen de heren J.D. Zocher en L.P. Zocher een advies uit om het plantsoen, dat was aangelegd als wandelplaats door J.D. Zocher Sr, een flinke opknapbeurt te geven. De kosten zouden f 1.600,- bedragen. Die gelden waren niet geheel beschikbaar. Het werk werd conform het advies wel uitgevoerd, de betaling geschiedde echter gespreid over drie jaren.

Rond 1900 krijgt een opzichter van plantsoenen van de dienst gemeente werken Utrecht, die gedeeltelijk voor Amersfoort mocht werken, de dhr J.J. Denier van Gon de opdracht om een ontwerp te maken voor de wal van de Koppelpoort tot aan de Israëlische begraafplaats nabij de Bloemendaalse poort. Dit ontwerp is echter niet uitgevoerd.

In de loop van de 20e eeuw werd de aanleg en het beheer van de openbare beplanting door “eigen groenmensen” ter hand genomen.

Bovenstaand artikel is overgenomen uit de nota BEHOUD BOMEN BINNENSTAD mei 1980 dienst gemeentewerken afd. beplantingen en begraafplaatsen.

 

DE KOPPELPOORT AMERSFOORT
KAART BLEAU AMERSFOORT 1645

Gemengde berichten over de hovenier in de gemeente:

DELFT

De gemeente Delft heeft voor een landelijk congres over groene monumenten flink uitgepakt voor zijn gasten en alle Delftse groene monumenten voor 1940  beschreven en van foto’s voorzien. Onder de titel groen parels zijn deze waardevolle cultuur historische groene monumenten gelukkig ook beschikbaar op internet.
De redactie van deze website wil u deze 16 groene parels niet onthouden omdat hier in het verleden  en ook heden ten dage  door zowel gemeentelijke hoveniers als particuliere bedrijfshoveniers veel vakmanschap wordt getoond.
De afd. veldbiologie van het KNNV afd. Delfland heeft deze inventarisatie in opdracht van de gemeente uitgevoerd.
Voor 16 Delftse groene parels klik op: meer info
Erfgoed Delft heeft in het voorjaar van 2010 het gehele nummer van het blad Delf (cultuur historische magazine) gewijd aan het  Historisch groen  van Delft. Een interessant nummer over parken, gemeenschappelijke tuinen maar ook particulier groen. 

 

UTRECHT 


WERKERS IN HET GROEN:

Hiernaast treft u een foto aan van Anthonius van Hasselt geboren 1-6- 1892 en overleden 1-4 1976. Hij is in dienst van de gemeente Utrecht werkzaam bij de gemeentelijke plantsoenendienst.

De foto is genomen bij het Museum van Staatsbosbeheer museumlaan 2 in Utrecht en hij poseert bij zijn motorgrasmaaier.

De foto is genomen omstreeks 1925 dus is Anthonius (Toon) begin 3o .
De foto bevind zich in het Utrechts archief onder nummer 42264 en is vervaardigd door E A van Blitz & zn
 

Midden Delfland:

Foto Henk Groenendaal
Materiaalhuisje begraafplaats Schipluiden

 

 

OPMERKELIJKE GRAFSTEEN

Op de algemene begraafplaats in Schipluiden bevind zich vlak bij  het “materiaalhuisje” het graf van Jan van Dien zie foto links. De tekst spreekt voor zich maar roept natuurlijk ook vragen op. In een kleine gemeente als Schipluiden rond 1940 4100 inwoners is de functie van grafmaker altijd gekoppeld aan ander werk zoals tuinman/hovenier, gemeentewerkman, koster, nachtwaker en vele andere.

Jan van Dien was van zijn 30ste tot zijn 36ste nachtwaker zie foto rechts.

De gemeentewerkman in Schipluiden had in 1914 de volgende functieomschrijving:

Deze ambtenaar moet de volgende taken: uitvoeren van wegwerken, rioolputten ledigen, straten reinigen, krengenvischer, ophalen van asch en vuilnis, schoonhouden en zanden van bruggen en lantaarnopsteker. Alles onder toezicht van de gemeenteopzichter. Werktijden van 7 tot 7 uur 28 maart 1914.

De historische vereniging Oud Schipluiden en familie van Jan van Dien hebben in 2014 met succes gezorgd dat dit stukje geschiedenis hersteld en bewaard blijft.

Meer lezen over het leven van nachtwaker grafdelver en hovenier Jan van Dien  zie hier onder

 

Jan van Dien bij de valbrug in Schipluiden